Wat is stotteren?

Stotteren is een neuro musculaire timingsstoornis. Met de timing en coördinatie van de spreekspieren vanuit de hersenen loopt het mis. 

We onderscheiden 3 soorten stottermomenten

1. Herhalingen

Er worden klanken (i-i-ik), lettergrepen (va-va-van) of volledige één-lettergrepige woorden (en-en-en) herhaald met spierspanning.

2. Verlengingen: 

Een klank wordt aangehouden (fffiets)

3. Blokkeringen: 

Men blijft vastzitten op de klank (~auto). Deze onvloeiendheden gaan gepaard met meer spierspanning ter hoogte van de stembanden, tong of lippen.

‘Normale’ onvloeiendheden versus stottermomenten:

Niemand spreekt perfect vloeiend. Als we luisteren naar “vloeiende sprekers” horen we regelmatig niet-vloeiende momenten. Deze onvloeiendheden situeren zich tussen woorden (between-word disfluencies), zoals woordherhalingen (mag-mag-mag), opgevulde (euh) en onopgevulde pauzes, zinsveranderingen (ik heb-ik ben). Deze niet-vloeiende uitingen verlopen zonder extra spierspanning en in een rustig tempo. Ze komen voor omdat de spreker op dat moment meer tijd nodig heeft om zijn verhaal te ordenen en de juiste woorden te kiezen. Deze “normale” onvloeiendheden komen bij iedereen voor. Jonge kinderen tussen 2;6 en 5;0 jaar maken meer van deze onvloeiendheden. Ze zitten volop in hun spraak- en taalontwikkeling en het is logisch dat ze bepaalde momenten, wanneer ze langere zinnen maken en moeilijkere woorden gebruiken, meer tijd nodig hebben.

Stotteren verloopt echter anders. Iemand die stottert herhaalt ook, maar de onvloeiendheden situeren zich binnen het woord (within-word disfluencies). Bij een stottermoment treedt er meestal (te) veel spierspanning op. 

Er is niet altijd een duidelijke lijn de trekken tussen ‘normale’ onvloeiendheden en stottermomenten. Een één-lettergrepige woordherhaling kan een ‘normale’ onvloeiendheid of stottermoment zijn. De frequentie waarbij en de aard waarin deze onvloeiendheden optreden is belangrijk. Bij ongerustheid is het aan te raden om deskundig advies in te winnen.

Secundair stottergedrag:

In een poging om zo vlug mogelijk uit de stottermomenten te geraken en/of deze zo min mogelijk te laten opvallen, worden allerlei hulpmiddeltjes en trucjes gebruikt. Het kan gaan om stopwoordjes, het steeds herbeginnen van de zin, een ander woord gebruiken, bijbewegingen met de ogen, de lippen, de tong of het hele lichaam.

Op den duur raken vele van deze trucjes geautomatiseerd en worden dan “onbewust” en voortdurend gebruikt. In tegenstelling tot stotteren, gaat het hier dus over geleerd gedrag. Zo raakt het stotteren verder gevorderd. 

Inwendig stottergedrag:

Stotteren kan veel meer zijn dan enkel wat je hoort of ziet wanneer iemand spreekt. Bij stotteren kunnen allerlei gevoelens en gedachten gepaard gaan, afhankelijk van hoe de persoon met het stotteren omgaat.

Iemand die stottert kan zich extra gespannen voelen, omdat dit stotteren niet positief wordt opgevat door die persoon. Het hart klopt sneller, de persoon gaat zweten, gevoelens van frustratie, schaamte en angst kunnen optreden. Allerlei negatieve gedachten zoals “Oh nee, ik ga weer stotteren”, “Straks zal het wel weer niet gaan”, “Wat denken ze van mij als ik zo stotter”, “Ik kan niet eens gewoon praten”,… steken de kop op. Hierdoor raakt de persoon die stottert nog meer gespannen waardoor de kans op stotteren toeneemt en de negatieve gedachten bevestigd worden. Zo raakt de persoon in een vicieuze cirkel.

Dit kan zo erg worden dat de persoon die stottert niet meer zal zeggen wat hij/zij wil zeggen en alles laat afhangen van het spreken. Hij/zij kan zelfs totaal geobsedeerd raken door het stotteren waardoor het volledige functioneren nadelig wordt beïnvloed.